naar top
Menu
Logo Print

VISUELE ASPECTEN BIJ HUMAN CENTRIC LIGHTING

Welke verlichtingsmodaliteiten ervaren we als aangenaam?

Human Centric Lighting wil meer aandacht bieden aan de effecten van verlichting op de mens, en gaat op zoek naar een balans tussen welzijn en efficiëntie. Binnen de verschillende verlichtingsaspecten die een invloed hebben op het welzijn van de mens maakt Peter Bracke (KU Leuven en Groen Licht Vlaanderen) een onderscheid tussen beeldvormende en niet-beeldvormende effecten. In dit deel van het Human Centric Lighting dossier bespreken we de belangrijkste visuele aspecten; in het volgende deel komen de niet-beeldvormende aspecten aan bod.

VISUELE ASPECTEN

“De beeldvormende of visuele effecten zijn in principe direct waarneembaar voor de gebruiker," zegt Bracke, “al gebeurt dat daarom niet noodzakelijk bewust. Kort gesteld gaat het om de specifieke voorkeuren van gebruikers binnen een bepaalde situatie. Wat vinden we in een bepaalde context de meest aangename verlichting? Onder andere de lichtsterkte, de kleurtemperatuur, de kleurweergave en de directionaliteit hebben daar een invloed op."

LICHTSTERKTE EN KLEURTEMPERATUUR

Uit onderzoek blijkt dat de geprefereerde kleurtemperatuur van de verlichting sterk afhankelijk is van de verlichtingssterkte enerzijds en de specifieke ruimtelijke context anderzijds. Voelen we ons buitenshuis helemaal goed bij de hoge kleurtemperatuur van het daglicht (ca. 6.500 K), dan geven we binnenshuis eerder de voorkeur aan lagere kleurtemperaturen.

Concreet kiest men in een ontspanningsruimte bijvoorbeeld voor kleurtemperaturen rond 3.000 K, met een beperkte voorkeur inzake lichtsterkte, terwijl men in een bureau of studieruimte net een hoge verlichtingssterkte prefereert, ongeacht de kleurtemperatuur. Enkel wanneer de verlichtingssterkte daar onder de 500 lux daalt, blijkt er een duidelijke voorkeur voor kleurtemperaturen rond 5.000 K.

KLEURWEERGAVE

Lichtbronnen met dezelfde kleurtemperatuur hebben echter niet noodzakelijk hetzelfde effect op de ruimte en de weergave ervan. Ondanks het feit dat het wit licht bij verschillende lichtbronnen hetzelfde is, kan het spectrum onderling namelijk nog steeds erg verschillen, wat ervoor zorgt dat eenzelfde object er onder die verschillende lichtbronnen ook effectief anders zal uitzien.

Specifiek onderzoek benoemt de geprefereerde Rf- en Rg-waarden volgens IES TM-30. Volgens dit onderzoek is er in eerste instantie een voorkeur voor lichtbronnen met een hoge color fidelity index (Rf) en, indien dat niet het geval is, een hoge verzadiging (Rg). Hoe dan ook dient men te streven naar een Rf-waarde boven 74.

DIRECTIONALITEIT

Wat betreft de directionaliteit van het licht is er een duidelijke voorkeur voor een combinatie tussen directe en indirecte verlichting, al is de specifieke verhouding sterk afhankelijk van de concrete omstandigheden. Een aantal algemene resultaten tonen alvast aan dat:

  • de verlichtingssterkte van de muren bij voorkeur gelijk is aan de aanbevolen verlichtingssterkte van het taakoppervlak;
  • de luminantie van de muren het best kleiner is dan deze van het taakoppervlak;
  • de luminantie van muren en plafond het best niet gelijk zijn, tenzij ze eenvoudig te onderscheiden zijn qua kleur en/of textuur.

Ook de architectuur van de ruimte speelt in dit opzicht met andere woorden een rol. Hoe minder onze hersenen zich moeten inspannen om de positie en afmetingen van verschillende vlakken in de ruimte te bepalen, hoe meer mentale rust men heeft.

SNELLE VARIATIES

Een ander visueel effect, dat evenwel zelden bewust zichtbaar is maar wel degelijk een effect heeft, is dat van de snelle variaties. Een diep gemoduleerde led aan hoge frequentie kan een stroboscopisch effect teweegbrengen, waarbij het negatieve effect bovendien versterkt kan worden bij het dimmen van de lichtbron.

STURING

Hoewel het geen rechtstreeks visueel effect is, dient ten slotte ook nog vermeld te worden dat enige controle over de verlichting een positief effect heeft op het welzijnsgevoel van de gebruiker.